Motorrijden

Motorrijden is wel zo ongeveer het meest onpraktische wat ik doe. Je wordt nat als het regent en je drijft uit je pak als het warm is. Je rug is na een paar uur versleten en benen verstijven als het koud is (als het warm is trouwens ook). Als je omvalt gaat er van alles stuk, inclusief jezelf, en als je niet omvalt heb je toch nog bergen onderhoud te doen.

Toch doe ik het al sinds ik een jaar of 32 was. Het kan dus niet alleen de midlife crisis zijn (of die was wel heel vroeg…). De enige verklaring die enigszins steek houdt komt uit een boek geschreven door een schrijver met schizofrenie. In ‘Zen, of de kunst van het motoronderhoud’ van Robert M. Pirsig leer je langzamerhand begrijpen dat motorrijden geen hobby is, maar een karaktereigenschap. Jammer, maar niks aan te doen.

Om meteen nog maar wat cliche’s in de strijd te gooien. Een motor heeft behalve twee wielen ook (precies) twee cylinders. Op en aan een motor hoort geen plastic. Chroom is toegestaan, maar slechts functioneel, bijvoorbeeld op de velgen. Wielen hebben spaken. Een motor heeft liefst een cardan, geen ketting en zeker geen jarretelaandrijving. Elektronica is nodig, maar minimaal. Zaken die aangeduid worden met drie letters, zoals ABS, zijn overbodig en bedacht door autorijders. Of BMW rijders, maar dat zei ik al… autorijders.

Mijn eigen motor voldoet maar gedeeltelijk. Het is een Guzzi California Jackal (2001) en toch zit er nog plastic aan en heeft hij elektronische ontsteking in plaats van een carburateur. Maar verder voldoet hij wel, zeker sinds de laatste schuiver in 2009 de voorruit verdwenen is. Voor de snelle rekenaars… het is inderdaad niet mijn eerste motor. Dat was en is – want hij staat nog in de schuur – een Honda CX 500 C. Alle begin is moeilijk…